Zingen in een vreemd land
Door Marieke Bakker (veldwerkster)
“Is dit leven soms geen kwelling? Als het geen kwelling is, is het geen verblijf in den vreemde. Als het verblijf in den vreemde geen kwelling voor u is, hebt u het hemelse Vaderland niet genoeg lief." - Augustinus.
Dit citaat las ik toen ik net terug was in Zuid-Afrika, na een maand van verlof in Nederland. Ik zie als een berg tegen het werk op. Het liefst zou ik in een hoekje willen kruipen en in rust boeken willen lezen. Maar het werk roept en ik moet of - beter gezegd - mag weer aan de slag. De ‘township’ Hammanskraal in. De strijd weer in.

Vreemdeling
Augustinus vermaant mij: “Maar allen die in Babylon op gelovige wijze leven, door niet de opgeblazen hoogmoed, ver vergankelijke verheffing en de hatelijke opschepperij na te streven … God laat niet toe dat zij ten onder gaan in Babylon. Want Hij bestemde hen voor tot bewoners van Jeruzalem … Hij wijst hen dus op een andere stad, maar zij moeten daar dan wel echt naar smachten, alles op alles ervoor zetten, en hen die samen met hen in den vreemde verblijven, koste wat het kost zover krijgen dat zij er ook heen willen.”
Verwarring
Babylon, Augustinus noemt het ‘de verwarring’. De verwarring zien we dagelijks om ons heen. Vanuit mijzelf zoek ik een comfortabel leven in Babylon en voel ik niet de zucht naar Jeruzalem, de stad van vrede. Keer op keer moet het weer geleerd worden dat ik niet voor deze wereld moet leven en dat we op doorreis zijn. Pelgrims. En ook – als de Heere het geeft – mag ik dit jaar weer aan de slag. In Babylon. Niet als bewoner, maar als vreemdeling.


Lofzang
Onderweg de psalmen aanheffen, zingen in een vreemd land. God Die woont onder de lofzangen van Israël (Psalm 22:4). Als ik om mij heen ga kijken, dan zijn het jammerklachten. Maar wanneer door Gods Geest omhoog gekeken mag worden, verandert het in een lofzang. Zijn Koninkrijk zal komen. Ook komend jaar, dwars door de onmogelijkheid heen. Gods kinderen gaan niet met wapens op de vijand aan, maar met de lofzang.
2 Kronieken 20: 20-22
“En zij maakten zich des morgens vroeg op en togen uit naar de woestijn van Tekóa. En als zij uittogen, stond Jósafat en zeide: Hoort mij, o Juda, en gij inwoners van Jeruzalem: Gelooft in den HEERE uw God, zo zult gij bevestigd worden; gelooft aan Zijn profeten en gij zult voorspoedig zijn. Hij nu beraadslaagde zich met het volk, en hij stelde den HEERE zangers, die de heilige Majesteit prijzen zouden, voor de toegerusten uitgaande en zeggende: Looft den HEERE, want Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid. Ten tijde nu als zij aanhieven met een vreugdegeroep en lofzang stelde de HEERE achterlagen tegen de kinderen Ammons, Moab en die van het gebergte Seïr, die tegen Juda gekomen waren, en zij werden geslagen.” |
